Home / Actueel / Uncategorized / Veldbijeenkomst Kuikenoverleving

Veldbijeenkomst Kuikenoverleving

Op 12 mei 2022 organiseerde Van Hall Larenstein in samenwerking met BoerenNatuur een veldbijeenkomst in Kamerik over kuikenoverleving van weidevogels. Deze bijeenkomst was onderdeel van het Europese LIFE-IP project All4biodiversity en het project Kennismakelaar Boerenlandvogels. Met als doel om kennisuitwisseling te stimuleren tussen de agrarische collectieven onderling en tussen onderzoekers en de collectieven. Veldcoördinator van collectief Rijn, Vecht en Venen (RV&V), René Faber, sprak over hoe het collectief samen met de deelnemende boeren maatwerk levert om zoveel mogelijk weidevogelkuikens groot te brengen. Jan de Wit, DWC advies en voormalig adviseur Louis Bolk-instituut, ging in op de belangrijkste bevindingen uit het onderzoeksproject Winst & Weidevogels. In het veld, bij een weidevogelmozaïek, werden de uitdagingen en keuzes van dit specifieke gebied besproken.

WEIDEVOGELBEHEER IN RV&V

Bij collectief RV&V is de afgelopen zeven jaar het aantal hectare met weidevogelbeheer flink toegenomen. In 2016 had de provincie Utrecht een heel beperkt leefgebied aangewezen. Het collectief heeft door tellingen langzaamaan de provincie overtuigd dat er nog veel meer gebieden relevant zijn voor weidevogels. Zo is elk jaar per natuurbeheerplan meer hectares vrijgegeven. De laatste 150 hectare komt door een impuls vanuit het Aanvalsplan Grutto. Momenteel bestaat 26 procent van het totaal aantal hectare met weidevogelbeheer uit zogenoemd ‘zwaar beheer’. Naast een groot aandeel zwaar beheer, streeft het collectief naar meer vernatting, via plasdrassen en drukdrainage, en meer beweiding.

Inzetten op meer beweiding voor weidevogels, dan heb je het over voorweiden of extensief beweiden. Sinds 2016 is het collectief langzaam afgestapt van de ‘heilige graal’ van 15 juni maaien en zoveel mogelijk vernatten. Als percelen pas na 15 juni worden gemaaid ze te snel een te hoog en te dicht gewas opleveren, totaal ongeschikt voor weidevogelkuikens. Om deze situatie te voorkomen probeert het collectief boeren te stimuleren om te stoppen met voorjaarsbemesting. En proberen om met beweiding goed kuikenland te creëren op het moment dat er kuikens rondlopen. Faber: “Bij veel boeren past meer beweiden in percelen met uitgestelde maaidatum makkelijk in de bedrijfsvoering. Bovendien werkt de mozaïektoeslag als extra stimulans. Hierbij krijgen boeren een extra vergoeding wanneer zij meerdere beheerpakketten combineren.”

Van meten naar maatwerk

Het collectief RV&V maakt intensief gebruik van een ecologisch adviesbureau voor de tellingen in de weidevogelmozaïeken. Op basis van monitoring van broedparen eind april en monitoring van gezinnen eind mei krijgt het collectief een gedetailleerd beeld van de weidevogels in hun werkgebied. Van de tellingen worden GIS-kaarten gemaakt. Vervolgens nemen gebiedsregisseurs deze kaarten mee om met de deelnemende boeren in gesprek te gaan. Tijdens deze gesprekken wordt gekeken of het beheer op de juiste plekken ligt en waar verschuivingen nodig zijn. De tellingen worden al sinds 2017 elk jaar uitgevoerd. Inmiddels heeft het collectief uitgebreide telreeksen die laten zien hoe weidevogels zich verplaatsen ten opzichte van het beheer. Op basis van tellingen kan het collectief heel gericht sturen. Bovendien wordt deze methode gewaardeerd door de boeren. Faber vertelt dat een boer laatst tegen hem zei: “Jullie zitten er bovenop, maar wel op een goede manier”. Tot slot laten de tellingen zien dat het weidevogelbeheer loont. Grutto, tureluur, scholekster en slobeend nemen toe in het aantal broedparen over de laatste jaren.

RESULTATEN WINST & WEIDEVOGELS

Onderzoeksproject Winst & Weidevogels zoekt naar effectieve inpasbare maatregelen ten behoeve van de weidevogels. Jan de Wit laat ook zien dat een uitgestelde maaidatum niet altijd leidt tot het gewenste habitat. In veel gevallen zorgt het voor een oerwoud van gras vanaf medio mei. Dat lange gras is niet alleen ondoorwaadbaar voor kuikens, maar ook nadelig voor de kruidenrijkdom. Om dat probleem te verminderen kun je volgens De Wit drie dingen doen: niet bemesten (ook niet met vaste mest), voorweiden en vernatten. Uit het onderzoek blijkt dat één enkele maatregel onvoldoende is, alleen de in combinatie zijn ze effectief.

Weidevogelonderzoek in de Krimpenerwaard

In de regel zijn weidevogels lastig te onderzoeken. Ze zijn betrekkelijk mobiel en de aantallen zijn vaak te laag om statistische analyses te kunnen doen. In dit project zijn verschillende monitoringsmethodes getest. De combinatie van drones en veldbezoeken met auto (insteken) en telescoop lijkt het beste te werken met zo min mogelijk verstoring.

Het onderzoek laat bovendien het belang zien van intensieve monitoring. Met een goede broeddichtheid en BTS (Bruto Territoriaal Succes) van 75% zou je uit de BMP-tellingen kunnen concluderen dat de Kadijk Oost (Krimpenerwaard) een kansrijk gebied is. Maar kijkend naar de uitkomsten van de intensieve monitoring, dan waren er in totaal 37 broedparen waarvan 22 nesten zijn uitgekomen en waarvan uiteindelijk slechts 22 kuikens vliegvlug zijn geworden. Dat geeft een veel minder positief, maar wel een realistisch beeld. Toch blijft de relatie tussen beheer en broedsucces lastig te meten ondanks intensieve monitoring. Alleen anekdotische resultaten laten zien dat:

  • Kieviten en scholeksters veelvuldig braakliggend land uitkiezen om te nestelen, ook al zijn daar de habitatcondities voor kuikens slecht.
  • Kievit- en tureluurouders met hun kuikens naar plasdrassen trekken.
  • Grutto’s erg honkvast zijn en jarenlang blijven broeden op hetzelfde intensief graslandperceel, zelfs als ernaast een weidevogelmozaïek is ingericht.
  • Grutto-ouders na enkele dagen met hun kuikens naar (voor)beweid grasland trekken.

Voorwaarden voor goed weidevogelgrasland

Het meten van de geschikte voorwaarden voor goed weidevogelgrasland is evenmin niet eenvoudig. Geschikt weidevogelgrasland is gebaseerd op een combinatie van factoren (o.a. hoogte van het gewas, openheid/structuur van het gewas en kruidenrijkdom) die niet eenduidig zijn vast te leggen. Bovendien veranderen deze factoren gedurende het broedseizoen. In twee weken tijd kan het perceel omslaan van een ideaal kuikenveld naar een totaal ongeschikt habitat door veel te hoog en te zwaar gewas. Daarnaast blijft onderzoek naar voedselaanbod voor kuikens lastig. Kieviten eten met name op de grond levende insecten, terwijl scholekster hun kuikens voeren met wormen. En grutto- en tureluurkuikens eten met name vliegende insecten. Kortom, er is niet één methode die een representatief beeld geeft van de voedselbeschikbaarheid. Het is wel bekend dat ongemaaid grasland meer insecten oplevert. Daar is echter het probleem dat de insecten niet bereikbaar zijn voor kuikens. Gemaaid grasland leidt tot minder insecten, waarbij met name de grote insecten verdwijnen. Begraasd grasland zit er grofweg tussen in. De vraag blijft of begraasd grasland nog steeds zorgt voor voldoende aanbod aan insecten. Om die vraag te beantwoorden, zou je per kuiken de groei moeten meten en onderzoeken wat kuikens precies eten.

Uitgesteld (stand)weiden lijkt goed te werken voor goed gruttokuikenland. Beweiding in mei leidt tot een onregelmatige grasstructuur met afgegeten plekken die goed doorwaadbaar zijn voor gruttokuikens en voldoende dekking in de overgebleven hoge graspollen. Bovendien lijken de mestflatten voor voldoende insecten te zorgen. De voorkeur wordt gegeven aan standweiden, omdat dat zorgt voor rustiger vee en vermoedelijk verminderde predatie. Maar ook bij beweiding is maatwerk een vereiste. Je moet natuurlijk voorkomen dat beweiding tijdens de vestigings- en nestelfase leidt tot nestverlating.

Hannah Olthof, Van Hall Larenstein

David Kingma, BoerenNatuur

Voor meer informatie, zie ook:

30 mei 2022
Deel dit bericht
Geplaatst in: