Home / Actueel / GLB-pilot uitgelicht: Veenweide

GLB-pilot uitgelicht: Veenweide

Publieke en private prikkels voor duurzame zuivel

Veenweidepilot onderzoekt relatie tussen nieuwe GLB en zuivelketen

Het GLB gaat na 2021 veranderen. De betalingen zullen sterker dan nu worden gekoppeld aan groene tegenprestaties. Gedacht wordt aan een stelsel van prestatiebeloning voor biodiversiteit, landschap, bodem, water en klimaat. Voor de melkveehouderij, waar het aantal keteninitiatieven voor duurzame zuivel groeit, luistert de relatie tussen publieke en private prikkels nauw. In de GLBpilot “Vergroening van waterrijke veenweidegebieden” verkennen we de optimale relatie.

In de pilot is een maatregelenmenu voor bodem, water en klimaat ontwikkeld dat een invulling zou kunnen vormen voor kringlooplandbouw in veenweidegebieden. Het zou tegelijk een invulling kunnen vormen van de zogeheten ecoregeling in het nieuwe GLB, het dienstenstelsel dat straks naast het bekende agrarisch natuurbeheer gaat functioneren. Het is een keuzemenu van ruim 20 maatregelen gekoppeld aan een puntensysteem. In 2020 wordt de pilot uitgebreid met natuur- en landschapsmaatregelen langs sloten en oevers gericht op het creëren van ecologische verbindingen. Het keuzemenu voor bodem, water en klimaat is gericht op prestaties die voor een deel ook zijn opgenomen in de duurzaamheidsprotocollen van de zuivelindustrie. Overlap is niet erg en kan zelfs gewenst zijn, als we maar streven naar een goede balans:

  • voor de veehouder is van belang dat alle pijlen dezelfde kant op wijzen: hij moet geen tegengestelde prikkels krijgen;
  • overlap kan zorgen voor verdiencapaciteit. Omdat de overheidsbetalingen nooit méér mogen zijn dan compensatie van inkomensderving, kan de keten met overlappende bepalingen voor een verdienmodel zorgen. Het stapelen van publieke en private betalingen is om die reden het streven van bijvoorbeeld het recente Deltaprogramma Biodiversiteitsherstel;
  • gelijkgerichte prikkels kunnen de controlelast verlichten: dat wat de keten regelt en controleert, hoeft de overheid niet meer te doen, en vice versa.

Duurzaamheidprotocollen vergeleken

Om te weten te komen hoe het pilotmenu zich verhoudt tot keteninitiatieven, zijn acht van zulke initiatieven geanalyseerd. Enkele daarvan hebben eenzelfde opzet met een puntensysteem. De helft van de initiatieven richt zich primair op natuur en landschap, de andere helft hanteert een breed scala aan duurzaamheidsthema’s. Hoewel het zeker niet uitgesloten is dat aan ons puntensysteem nog een biodiversiteitsmodule wordt toegevoegd, zijn die laatste voor ons doel nu het meest interessant. Bij een vergelijking van de criteria vallen drie dingen op. Ten eerste: ons keuzemenu is wat meer ‘maatregelgericht’, de ketenprotocollen hanteren wat vaker de prestatiescore op de biodiversiteitsmonitor zoals die mede door de zuivel is ontwikkeld. Ten tweede: in de pilot oefenen we met aanmerkelijk verdergaande eisen aan het aandeel blijvend grasland, in onze ogen een belangrijke bodem- en klimaatmaatregel. Dat is wellicht verklaarbaar uit het feit dat een hoog aandeel in een veenweidegebied gemakkelijker haalbaar is dan daarbuiten. Ten derde: het pilotmenu bevat meer bodemmaatregelen en meer gespecificeerde bemestingsmaatregelen voor een betere waterkwaliteit.

Balans tussen publiek en privaat

Wat zeggen deze bevindingen ons nu over de balans tussen overheid en keten? En welke richting gaat de zuivel op waar het gaat om duurzaamheid? Overleg met enkele partijen uit de zuivelketen leverde interessante noties op:

  1. Voor de korte termijn zullen GLB en keten gedeeltelijk overlappen en wijzen de voorwaarden in het pilotmenu en de ketencriteria in ieder geval dezelfde kant op, ook al zijn ze wat verschillend van karakter. Dat het pilotmenu – en straks wellicht de ecoregeling – wat sterker op concrete maatregelen is gericht, is voor veehouders waarschijnlijk alleen maar prettig. Ook financieel is dat voor veehouders aantrekkelijk, omdat ze publieke en private prikkels kunnen stapelen. Sommigen vrezen dat de keten zijn leveringsprijzen zal verlagen als de overheid voor hetzelfde betaalt, maar daarvan zal voorlopig geen sprake zijn.
  2. Op de wat langere termijn zal de verhouding veranderen. De ketenpartijen zullen zich sterker gaan richten op regionale differentiatie en goed vermarktbare zaken zoals natuur, landschap en weidegang. Die regionalisering lijkt te passen bij het regionaal maatwerk dat de ecoregeling in petto heeft, maar het is de vraag of de keten (zeker de grotere bedrijven) zich geroepen voelt om zijn programma’s hierop af te stemmen. Voor de kleinere spelers die al sterk regionaal actief zijn, liggen hier wel kansen. Maar wat blijft is dat de keten zich primair laat leiden door de sterk veranderlijke consumentenvraag en zich richt op goed vermarktbare ‘parels’. Een belangrijk deel van de huidige duurzaamheidsopgaven – zoals een betere kwaliteit van bodem, water en klimaat – valt daar niet onder. Op het gebied van natuur en landschap (bijvoorbeeld kruidenrijk grasland) is wel synergie mogelijk: als een oppervlakteaandeel van 5 of 10% natuur- en landschapsbeheer kan worden geborgd via een gebiedscollectief, kan de zuivel dat naadloos in zijn protocollen opnemen. Maar dat raakt dan vooral aan het agrarisch natuurbeheer en minder aan de ecoregeling.

De boodschap is daarmee eigenlijk: hou bij de ‘architectuur’ van het nieuwe GLB niet te veel rekening met de huidige ketenvoorwaarden. Het laagdrempelige karakter van de ecoregeling en het (waarschijnlijk) sterke accent op de thema’s bodem, water en klimaat staan op gespannen voet met de ketenontwikkeling, die sterker richting regionale specialiteiten gaat met een in goed vermarktbare brokjes opgeknipte melkstroom. Het GLB moet vooral regionale casco’s bouwen op basis van duurzaamheid en andere gebiedsopgaven, de keten pakt daaruit de elementen die voor consumenten aantrekkelijk zijn en bouwt daarop voort met zijn regionale programma’s. Voor de veenweidepilot betekent dit dat we voortvarend verder blijven bouwen aan een regionaal keuzemenu voor het nieuwe GLB. Daarbij verkennen we ook hoe een biodiversiteitsmodule voor de ecoregeling – aanvullend op het agrarisch natuurbeheer – eruit zou kunnen zien.

In de pilot werken drie veenweidecollectieven samen: Water, Land & Dijken, Noord-Holland Zuid en Rijn Vecht & Venen. De pilot is één van zeven GLB-pilots die verspreid over het land plaatsvinden, gecoördineerd door BoerenNatuur en LTO. Opdrachtgever is het ministerie van LNV; de pilots worden gefinancierd uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling. Voor meer informatie bekijk de pilot website.

6 januari 2020
Deel dit bericht
Geplaatst in: