Home / Actueel / Het ANLb staat, maar er is meer nodig

Het ANLb staat, maar er is meer nodig

In april bracht de WUR een tussenevaluatie uit van ANLb-stelsel. Inmiddels is deze ook aangeboden aan de Tweede Kamer. Onderzoekers Froukje Boonstra en Wim Nieuwenhuizen zetten hun belangrijkste bevindingen op een rij.

In de aanloop naar de invoering van het ANLb-stelsel op 1 januari 2016 hadden de betrokkenen bij het agrarisch natuurbeheer wel enkele zorgen. Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren met de Agrarische Natuurverenigingen (ANV’s)? Zou het wel lukken om al die collectieven op tijd op te richten en werd de afstand tot de deelnemers niet te groot? In 2021 zijn die zorgen er niet meer: uit onze tussenevaluatie[1] van het ANLb blijkt dat het stelsel staat. De veertig collectieven hebben zich ontwikkeld tot een onmisbare schakel in de uitvoering van het ANLb en de verhouding tussen de collectieven en de ANV’s is grotendeels uitgekristalliseerd. Veel collectieven werken nauw samen met de ANV’s en in andere gevallen zijn de ANV’s opgegaan in het collectief. De collectieve aanpak heeft gezorgd voor meer betrokkenheid van boeren bij het beheer en heeft in vergelijking met het vorige stelsel de samenwerking tussen de ketenpartijen van het ANLb, zoals BoerenNatuur, RVO, provincies, waterschappen en LNV, verbeterd.

Tekst: Froukje Boonstra en Wim Nieuwenhuizen

Meer flexibiliteit

We hebben de tussenevaluatie uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de twaalf provincies en hebben bij de uitvoering nauw samengewerkt met de ketenpartijen van het ANLb. Minister Schouten heeft het rapport inmiddels aangeboden aan de Tweede Kamer. Een belangrijk onderdeel van de evaluatie was een casestudy naar de praktijk in drie gebieden: Drenthe, Westergo en de Krimpenerwaard. Wij spraken daar niet alleen met medewerkers en bestuurders van de collectieven over hun ervaringen, maar ook met deelnemers en andere gebiedspartijen zoals vrijwilligersorganisaties die tellingen uitvoeren, jagersverenigingen en terreinbeheerders en waterschappen en provincies.

De betrokkenen gaven aan dat het collectieve stelsel zorgt voor meer flexibiliteit om maatregelen aan te passen aan omstandigheden in het veld. Ook de ecologische condities voor het bereiken van de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water zijn licht verbeterd sinds de invoering van het subsidiestelsel, wat bijvoorbeeld blijkt uit een stijgende lijn in de ruimtelijke clustering van het beheer.

Gewenst: minder administratie

De evaluatie laat ook zien waar verbeteringen nodig zijn. Zo kan er binnen het stelsel winst worden geboekt door een betere samenwerking tussen collectieven en terreinbeheerders, denk bijvoorbeeld aan het opstellen van een gezamenlijk beheerplan voor een gebied. Ook administratieve regels kunnen eenvoudiger, zoals de administratie rond het melden van last minute wijzigingen. Het beheer kan verder geoptimaliseerd worden waarbij de kansen in open grasland vooral liggen bij het sturen op grotere clusters van beheeractiviteiten gericht op langjarige verbetering van de habitatkwaliteit. In de leefgebieden droge en natte dooradering is winst te halen door het beheer meer te richten op soorten waarvan goed bekend is welke eisen ze aan hun leefgebied stellen en ook daadwerkelijk op een specifieke plek voorkomen. Tot slot kunnen flankerende maatregelen, zoals gebiedspecifieke kennisontwikkeling en kennisdelen, aanpassingen in het waterbeleid (peilbesluiten), inzet van kavelruil en predatiebeheer, bijdragen aan betere prestaties.

Kritische stand boerenlandvogels

Voor het stoppen van de achteruitgang van boerenlandvogels is meer nodig dan alleen het ANLb. De kwaliteit die het leefgebied van boerenlandvogels vereist, staat op dit moment te ver af van de kwaliteit van het gebied bij regulier agrarisch gebruik. En die afstand is de afgelopen decennia enorm gegroeid. Om die kloof te overbruggen en de kritische soorten te behouden, zijn er grote aaneengesloten kerngebieden nodig met extensief beheerd grasland met een beperkte mestgift en een permanent hoge waterstand. Dergelijke ingrijpende aanpassingen kunnen niet verwacht worden van boeren op basis van een vrijwillig stelsel met vergoedingen voor inkomstenderving per hectare en kortlopende contracten. Dit roept de vraag op wat de mogelijkheden zijn van nieuwe instrumenten, naast het huidige ANLb, die verdergaande aanpassingen in de agrarische bedrijfsvoering richting ‘natuurboeren’ ondersteunen. Denk daarbij aan omschakelingsregelingen, langjarige privaatrechtelijke overeenkomsten over het gebruik van de grond gekoppeld aan afwaardering en nieuwe verdienmodellen. We bevelen aan de mogelijkheden van dit soort nieuwe beleidsinstrumenten en beloningsvormen te verkennen. Zeker als ze de integratie bevorderen van zwaardere beheervormen gericht op de instandhouding van de meer kritische soorten van het leefgebied open grasland.

Maatschappelijke opgaven

Het ANLb functioneert nu nog als relatief op zichzelf staande beleidssector met eigen doelen, regelingen en uitvoeringsorganisaties. Toch kan dit niet los gezien worden van maatschappelijke opgaven zoals klimaatadaptatie, CO2-reductie, verbetering van de waterkwaliteit, het tegengaan van bodemdaling en de vermindering van de stikstofuitstoot. Deze opgaven kunnen zowel een kans als een bedreiging zijn voor het ANLb, afhankelijk van de manier waarop ze worden aangepakt. Het is daarom belangrijk vanuit een meer integraal perspectief naar de doelen en maatregelen van het ANLb te kijken.

Een integrale gebiedsgerichte benadering biedt aanknopingspunten om synergie te realiseren tussen de doelen van het ANLb en andere maatschappelijke opgaven. Het initiëren van dergelijke processen kan bij uitstek een rol zijn van de provincie in het kader van haar omgevingsbeleid. Het ANLb kan vervolgens gezien worden als een van de instrumenten om uitvoering te geven aan gemeenschappelijke gebiedsdoelen.

Agrarische collectieven kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. Zij hebben zich de afgelopen jaren ontwikkeld als stevige, zelfsturende organisaties die naast het ANLb tal van andere activiteiten oppakken. Wel zijn er verschillen tussen collectieven in professionaliteit en de mate waarin zij nieuwe activiteiten (kunnen) oppakken. In strategievorming, scheiding bestuur- en werkorganisatie en opschaling en samenwerking is nog verbetering mogelijk voor veel collectieven. Ook is de huidige organisatiestructuur bij de meeste collectieven logischerwijs gebaseerd op hun rol in het ANLb en nog niet op bredere ambities. Het in lijn brengen van de organisatiestructuur met nieuwe rollen verdient aandacht. Zo zouden zij zich kunnen ontwikkelen tot bredere gebiedscoöperaties, waarbij ook andere, niet agrarische, gebiedspartijen onderdeel zijn van de coöperatie.


[1] F.G. Boonstra, W. Nieuwenhuizen, T. Visser, T. Mattijssen , F.F. van der Zee , R.A. Smidt en N. Polman, 2020. Stelselvernieuwing in uitvoering; Tussenevaluatie van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3066, https://edepot.wur.nl/541699

3 november 2021
Deel dit bericht